Meeuwenoverlast | VOC Oostende

Meeuwenoverlast

Meeuwen@dekust, tips om aangenamer samen te leven

Acrobatische kustvogels of lastposten?

Dr. Jan SEYS
Vlaams Instituut voor de Zee

Meeuwen en de zee: ze lijken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Iedereen kent deze grote en statige vogels wel. De kans is groot dat je ze ooit etensresten hebt toegeworpen en vol bewondering hebt gestaan voor de acrobatische zwenkingen en duikvluchten die ze hierbij uitvoeren. Dit spontaan positieve beeld dat mensen hebben van meeuwen komt soms wel eens onder druk komt te staan. Veelal zijn het lokale problemen die bij een beperkte groep mensen aanleiding geven tot negatieve beeldvorming. Bij het opduiken van dergelijke ‘overlastverhalen’ valt op hoe weinig het grote publiek en de media over deze meeuwen weet en hoezeer dit leidt tot ondoordachte uitspraken en acties.

Jonge Zilvermeeuw Voor wie het nog niet zou weten: dé meeuw of dé zeemeeuw bestaat als dusdanig niet. Wereldwijd zijn een vijftigtal soorten meeuwen bekend waarvan er zestien in Eurazië voorkomen en negen niet zeldzaam zijn in onze streken. De meest algemeen voorkomende soorten aan onze kust zijn Zilvermeeuw (Larus argentatus), Kokmeeuw (Larus ridibundus), Kleine Mantelmeeuw (Larus fuscus), Stormmeeuw (Larus canus) en Grote Mantelmeeuw (Larus marinus). Met wat geluk zie je er ook Dwergmeeuw (Larus minutus), Zwartkopmeeuw (Larus melanocephalus), Geelpootmeeuw (Larus michahellis) of Drieteenmeeuw (Rissa tridactyla). Elk van deze soorten doorloopt één of meerdere jeugdkleden die in kleur sterk afwijken van het volwassen verenkleed. Ook kan het broedkleed enigszins afwijken van het winterkleed. Onnodig te zeggen dat het herkennen van meeuwen hierdoor niet evident is.

Meeuwen en overlast
Soms kan een confrontatie met een meeuw iets bedreigends hebben. Hierbij speelt een moeilijk te omschrijven, subjectief gevoel een niet onbelangrijke rol. Zeker de grotere meeuwen zijn vrij forse vogels die ook wel brutaal kunnen overkomen. Ze schuwen de nabijheid van mensen niet en stralen daarbij met hun strenge blik iets provocerends uit. De gewenning ten aanzien van mensen en het opportunistische karakter van meeuwen zorgen daarenboven ook wel voor een reële overlast, zeker wanneer grote aantallen zich op een bepaalde locatie ophouden.

Misschien wel de meest voorkomende klacht komt van gemeentebesturen en betreft meeuwen die vuilniszakken kapot pikken. Vroeger, toen gesloten metalen of kunststoffen vuilnisbakken nog standaard waren, konden meeuwen niet bij de lekkere hapjes. Met de nieuwe, lichte, plastic vuilniszakken hebben meeuwen met hun krachtige snavels evenwel niet de minste moeite. Het resultaat is opengescheurde zakken en rondslingerend afval. Bovendien worstelt de kust tijdens het zomerhalfjaar met een enorme afvalstroom die niet zomaar te kanaliseren valt.

Meeuwen produceren uitwerpselen die gebouwen, kunstwerken, geparkeerde wagens of toevallige passanten kunnen treffen. Niet leuk, maar eens gereinigd ook veelal zonder verder gevolg. Wanneer auto’s langere tijd in grote aantallen onbeschermd in de openlucht geparkeerd staan in gebieden waar veel meeuwen voorkomen, kunnen uitwerpselen, krabsporen en voedselresten schade aan de laklaag teweegbrengen. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor op de uitgestrekte parkings in de Zeebrugse achterhaven, een belangrijke Europese overslaghaven voor auto’s. Bij meeuwen die op daken broeden dient er op gelet dat het aangevoerde nestmateriaal niet leidt tot verstoppingen van de waterafvoer, anders zou het dak van het gebouw wel eens kunnen instorten onder het gewicht van het water. Andere economische schade kan zich voordoen als meeuwen zich tegoed doen aan jonge mosselen die op mosselbanken werden geplant.

Er kan ook overlast optreden in of nabij de broedplaatsen. Meeuwen gaan – net als de meeste andere vogelsoorten – de directe omgeving van hun nest en jongen verdedigen tegen indringers. Bij meeuwen treedt deze agressie enkel op binnen een straal van enkele meters rond het bewoonde nest. Pas op als je in de buurt gaat wandelen, want een slag van een vleugel, snavel of poot na een duikvlucht van tien meter hoog kan heus wel zijn effect hebben! Toch treden zelden problemen op, niet in het minst omdat meeuwenkolonies veelal niet toegankelijk zijn en het behouden van een veilige afstand tot het nest reeds een goede remedie is. Als een meeuwenkoppel echter besloten heeft zijn intrek te nemen op het dakterras van een flatgebouw, is enige terughoudendheid vanwege de eigenaar op zijn plaats.

Meeuwen en sternen
Overlast is er niet enkel ten aanzien van mensen. Broedende meeuwen zijn nogal eens directe concurrenten van andere, zeldzamere kustbroedvogels zoals sternen. Open, min of meer vlakke en ongestoorde terreinen aan de kust – de geprefereerde broedsites voor zowel meeuwen als sternen – zijn nu eenmaal schaars. Vermits bij ruimtecompetitie de meeuwen steevast aan het langste eind trekken, zijn in onze buurlanden in het verleden gerichte acties tegen meeuwen ondernomen op broedplaatsen van sternen. Het komt ook voor dat Zilvermeeuwen – vaak na een mislukt broedsel – zich gaan toeleggen op het roven van eieren en jongen van sternen. Anderzijds zou het ook verkeerd zijn het samengaan van meeuwen en sternen altijd in een negatief daglicht te plaatsen: zo vind je Grote Sternen (Sterna sandvicensis) steevast in gemengde kolonies met Kokmeeuwen. De sternen zoeken bewust de onmiddellijke nabijheid van de broedende Kokmeeuwen op om zo mee te profiteren van de agressie van Kokmeeuwen ten aanzien van grotere predators als vossen, die de kolonie binnendringen.

Meeuwenplaag?
Men hoort wel eens zeggen: “Er zijn nog nooit zoveel meeuwen geweest als tegenwoordig”. Toch blijkt uit cijfermateriaal dat dit niet zo is. In een internationale context blijken de meest bekende meeuwen (Kokmeeuw, Zilvermeeuw) hun beste tijd zo’n tien tot twintig jaar terug gehad te hebben. Toen zorgden een betere wettelijke bescherming enerzijds en een rijk gedekte tafel anderzijds (huisvuilstorten, lakse houding t.o.v. afval in het algemeen) voor nooit geziene aantallen. Daarna leidden het afsluiten van deze storten, de komst van de Vos en veranderingen in het landbouwbeleid tot drastische aantalverminderingen bij beide soorten. Zo piekte de Zilvermeeuw in een meeuwenland bij uitstek als Nederland reeds halfweg de jaren tachtig (max. 89.000 broedparen). Sindsdien kent de landelijke populatie een vrij spectaculaire terugval van 2 tot 3% per jaar tot het huidig niveau van ca. 65.000 broedparen.

Ook in het Verenigd Koninkrijk – dat 20% van de volledige Europese zilvermeeuwpopulatie huisvest – kromp het bestand na een spectaculaire stijging in het eerste driekwart van de vorige eeuw ineen tot ongeveer de helft. De recente populatiecrash in Ierland en andere delen van het Verenigd Koninkrijk leidde er zelfs toe dat de Zilvermeeuw daar nu als kwetsbare ‘Rode Lijst soort’ wordt aanzien. Ook de Kokmeeuw lijkt het tegenwoordig niet gemakkelijk te hebben. De populatie verloor in Nederland op nauwelijks twintig jaar tijd ca. 50% van haar sterkte en dook van 250.000 (1980-85) naar ca. 135.000 broedparen (1998-2000). Ook aan de Belgische kust verging het de Kokmeeuw niet goed: de Zwinpopulatie die in 1987 nog ca. 9.000 paren telde, is nu nagenoeg volledig verdwenen en slechts gedeeltelijk gecompenseerd door een toename in de haven van Zeebrugge. Vlaanderen telde tussen 1980 en nu 13.000-22.000 broedparen daar waar in 1970 het broedbestand nog op 32.000 koppels geschat werd.

Voor nummer drie uit het lijstje van meest voorkomende soorten – de Kleine Mantelmeeuw – is de situatie grondig verschillend. Deze soort, die meer dan de andere meeuwen teert op de massale teruggooi van vis in de visserij, is in vele landen nog steeds aan een echte opmars bezig. Slechts enkele regio’s vertonen de eerste tekenen van een groeistop. In Nederland is de soort de kaap van de 100.000 broedparen gepasseerd en ook het Verenigd Koninkrijk kende bij de ‘Seabird 2000-telling’ meer dan 90.000 paren t.o.v. ca. 50.000 paren in 1969-70.

Zeebrugge tegen de trend in
De indruk dat er meer meeuwen zijn dan vroeger is ook weer niet helemaal uit de lucht gegrepen. Hoewel de internationale trends voor de meeste meeuwen negatief zijn en uit tellingen blijkt dat het aantal overwinterende meeuwen aan onze kust de laatste vijftien jaar niet toegenomen is, kan dit niet gezegd worden van het aantal broedende Kleine Mantel- en Zilvermeeuwen in België. De toename van beide soorten van afwezig in de jaren zestig tot respectievelijk 2.307 en 4.597 broedparen in 2004, kwam nagenoeg volledig op rekening van het Zeebrugse havengebied. Vanaf 1980 (achterhaven) en 1983-84 (voorhaven) ontstonden hier door toedoen van belangrijke zandopspuitingen uitgestrekte broedterreinen.

De achterhaven verloor als broedterrein voor meeuwen al snel veld ten voordele van de uitgestrekte opgespoten vlaktes in de voorhaven. In de voorhaven vestigden zich de eerste Kok- en Zilvermeeuwen in 1987-88 terwijl Kleine Mantelmeeuwen en minder grote aantallen Stormmeeuwen volgden vanaf het begin van de jaren negentig. Zilvermeeuwen en Kleine Mantelmeeuwen begonnen aan een exponentiële toename die de laatste jaren weliswaar afgevlakt is (Zilvermeeuw: 1.986 bp; Kleine Mantelmeeuw: 4.573 bp). Vandaag broedt 86% van alle Zilvermeeuwen en 98% van alle Kleine Mantelmeeuwen in ons land in de Zeebrugse voorhaven.

In Vlaanderen broeden Zilvermeeuwen buiten het Zeebrugse havengebied in kolonieverband enkel nog in het Zwin (sinds 1962 maximum 74 bp) en tot voor kort ook in de Gentse Kanaalzone (maximum 35 bp). De Kleine Mantelmeeuw is tot nu toe in kolonieverband buiten Zeebrugge enkel vastgesteld in het Zwin (sinds 1985 maximum 40 bp). Bijkomend broeden beide soorten sinds de jaren negentig ook op Oostendse daken.

Dakbroedende meeuwen
Meeuwen zijn doorgaans grondbroeders. Ze bouwen bij voorkeur hun nest in open terreinen of duingebieden. Wanneer er onvoldoende nestgelegenheid is op de grond of er teveel verstoring optreedt (bv. door Vossen), nemen ze wel eens hun toevlucht tot platte daken van appartements- en fabrieksgebouwen. Dit is een bekend fenomeen uit de meeste buurlanden waar relatief grote aantallen Zilver- en Kleine Mantelmeeuwen reeds jarenlang op daken broeden. Zo herbergde Nederland in de jaren negentig 1.500-2.800 paar dakbroedende Zilvermeeuwen en 550-700 paar dakbroedende Kleine Mantelmeeuwen, verspreid over een twintigtal steden en dorpen. Ook Groot-Brittannië kent sinds de jaren zestig grote stadspopulaties meeuwen. Sinds 1993-95 is het aantal kolonies Zilvermeeuwen op daken er opgelopen van 125 naar 220. Dakbroeders maken er minimaal 14% uit van het totale broedbestand. Bij de Kleine Mantelmeeuw broedt intussen 10% op daken van voornamelijk grotere industriële gebouwen.

In België werd dakbroeden voor het eerst vermoed te Oostende in 1993, maar in 1998 volgden de eerste zekere broedgevallen van Zilvermeeuw (33) en in 1999 van Kleine Mantelmeeuw (8). Het aantal dakbroeders steeg vervolgens geleidelijk tot 205 paar in 2001. Daarna leek de situatie te stabiliseren: 191 paar Zilvermeeuw en 16 paar Kleine Mantelmeeuw in 2003, om in 2004 weer fors te gaan toenemen: 321 paar Zilvermeeuw en 82 paar Kleine Mantelmeeuw. Door de toenemende economische druk op de broedgebieden in de Zeebrugse haven beginnen ook daar meeuwen op daken te broeden (10 paar Zilvermeeuw en 2 paar Kleine Mantelmeeuw in 2006).

Hoe overlast aanpakken?
Blinde haatcampagnes en ondoordachte uitlatingen slaan zoals steeds de bal mis. Wanneer je als individuele burger gevraagd wordt of je zelf al last ondervonden hebt van meeuwen, zal het antwoord vrijwel steeds negatief zijn. Als je daarentegen bij jezelf polst of je ooit wel eens een moment van genot of fascinatie ervaren hebt bij het zien van deze sierlijk zwevende vogels boven de zeedijk of bij het voederen van deze op-en-top zeevogels op het strand, zullen velen moeten toegeven dat zich dat wel eens voorgedaan heeft. Toch betekent dit niet dat er geen lokale overlast kan optreden. Wel geeft het aan dat op maat gesneden oplossingen veel meer resultaat zullen opleveren dan een veralgemeende aanpak.

Nestjong zilvermeeuw Het bewuste en op grote schaal doden van meeuwen is niet alleen dieronvriendelijk en simplistisch als oplossing, het is bovendien niet meer van deze tijd en bij wet verboden. Meeuwen zijn zowel op grond van de Europese als van de Vlaamse wetgeving beschermd en mogen niet gedood of verstoord worden. Om een beperkt aantal redenen kan van dit verbod afgeweken worden. Het Koninklijk Besluit van 9 september 1981 betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse gewest verbiedt het doden van vogels. Artikel 8 stipuleert weliswaar dat een uitzondering gemaakt kan worden, maar dit enkel omwille van redenen van volksgezondheid, openbare veiligheid of de veiligheid op vliegvelden, belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren, ter bescherming van flora en fauna of omwille van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs.

Misschien nog belangrijker is dat zowel Kok- als Kleine Mantelmeeuw opgenomen zijn in de Vlaamse ‘Rode Lijst’ van broedvogels. De internationaal vastgelegde criteria voor deze nationale lijsten vermelden immers dat niet alleen zeldzame of in aantal verminderende soorten dienen opgenomen te worden, maar ook soorten waarvan op het nationale grondgebied alle of nagenoeg alle broedlocaties zeer sterk geconcentreerd zijn. De logica hierachter is duidelijk: als bijna de volledige broedpopulatie Zilvermeeuwen en Kleine Mantelmeeuwen in één gebied voorkomt, is de kwetsbaarheid van de volledige soort op nationaal niveau zeer groot en dringt bescherming zich op.

Los van het verbod en de wenselijkheid is uit onderzoek gebleken dat het bejagen van meeuwen bovendien geen afdoende oplossing is. Het probleem wordt veeleer verplaatst en wanneer de eliminatie niet strikt bijgehouden wordt, blijken heel snel andere meeuwen de vrijgekomen plaatsen in te nemen. Bovendien kan het verstoren van nesten van meeuwen aanleiding geven tot een verhoogde predatie op kuikens en eieren van zeldzame kustbroedvogels. Het zijn immers vaak net de meeuwen die hun legsel verloren zijn, die zich de rest van het broedseizoen onledig houden met het roven van donzige sternenkuikens!

Op termijn lijkt de oplossing voor mogelijke meeuwenoverlast te schuilen in een driesporenbeleid

  • het wegwerken van een onnatuurlijk voedselaanbod voor meeuwen
  • het weghouden van meeuwen als broedvogel op plekken waar échte lokale overlast vermoed kan worden
  • het toelaten – zelfs faciliteren – van broedende meeuwen op plaatsen waar geen overlast bestaat

 

Door enkel te focussen op het wegjagen/weghouden is het zonder meer voorspelbaar dat meeuwen zich verder gaan verspreiden en op veel meer plekken lokale overlast zullen gaan veroorzaken. Of vrij vertaald: als de beheerders van de kerngebieden van broedende meeuwen in Vlaanderen (voorhaven Zeebrugge en daken Oostende) hun uiterste best doen om de meeuwen ‘kwijt’ te geraken, zal de rest van Vlaanderen dat geweten hebben...

Probleem bij de bron aanpakken
Zilvermeeuw met kleurring Het is enkel zinvol het ‘meeuwenprobleem’ aan te pakken door de gedekte tafels te ontruimen. Vroeger was dat in de vorm van huisvuilstorten, nu gaat het vooral om ondermaatse vis en visafval die op zee overboord gegooid worden. Uit ruwe schattingen van zeevogelkenners is berekend dat het dumpen van visafval en ondermaatse vis in de Noordzee het equivalent van 625.000 grote meeuwen jaarrond kan voeden! In afwachting dat deze maatregelen ingang vinden en tot resultaten leiden, kan lokaal remediërend opgetreden worden door de meeuwen weg te houden van plaatsen waar ze omwille van pertinente redenen liever niet gezien worden. Door geleidelijk het voedselaanbod voor meeuwen terug te brengen tot wat natuurlijk voorhanden is, zullen de populaties niet alleen vanzelf verder afnemen. Ook de directe aanwezigheid in de buurt van de mens zal minder intens aangevoeld worden.

De voedselbeschikbaarheid herleiden tot meer natuurlijke proporties kan op drie manieren.
Het beste resultaat is al geboekt door de open huisvuilstorten af te dekken waardoor de laatste twintig jaar heel wat meeuwenpopulaties op internationaal niveau rake klappen kregen. Meeuwen weghouden van het huisvuil verdient bijkomende aandacht. Zo kan ernaar gestreefd worden het afval in heel stevige plastic zakken, metalen emmers of containers te bewaren zodat het onbereikbaar wordt voor meeuwen (zie ook: http://www.vliz.be/docs/groterede/GR15_meeuwen_en_huisvuil.pdf). Een alternatief is om de tijdspanne tussen het buitenzetten en het ophalen van de vuilniszakken zo klein mogelijk te maken, eventueel door het organiseren van nachtelijke ophaalbeurten. De meeste vuilniszakken blijken immers kapot gepikt te worden in de ochtendschemering.

Tenslotte zou een oproep tot verdraagzaamheid niet misplaatst zijn. Zonder afbreuk te willen doen aan het voorkomen van lokale overlast – waar gerichte oplossingen kunnen worden gevonden – zou het geen kwaad kunnen als we bij het omgaan met meeuwenhinder uitgaan van de positieve basisgedachte dat deze vogels bij de zee horen en zelfs een niet onaardige mascotte kunnen zijn. Dat hebben ze alvast begrepen in het mondingsgebied van de Somme in Noord-Frankrijk, waar meeuwen zowat symbool staan voor het rijke en toeristisch zeer aantrekkelijke kustgebied. Wie volgt dit voorbeeld?


bron: Mens en Vogel april-mei-juni 2007, VLIZ